Leefbaarheid en verdichting

De Vrienden zijn uitgenodigd om bij dit overleg hun visie te geven. Christine Sijbesma heeft in haar bijdrage voorgesteld de LER vroegtijdig in te zetten in besluitvormingsprocessen over verdichtingsplannen en consequenties te verbinden aan eventuele negatieve uitkomsten van de toets.

Werkbespreking LER Cie Ruimte 14 november 2019 – Vereniging Vrienden van Den Haag

Geachte Voorzitter, leden van de commissie

Dank dat u ook de Vrienden hebt uitgenodigd. Onze stad gaat ons aan het hart. En ook wij zien de noodzaak van verdichting. Maar wij vinden dat die niet ten koste mag gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefbaarheid voor de burgers.

En daar maken wij ons zorgen over. Teveel tijdelijke inwoners doen afbreuk aan de Haagse leefbaarheid en sociale verbanden. Wij denken b.v. aan de toevloed van studenten, expats en forenzen naar de Amsterdamse Zuidas. Dat kan, maar moet niet ten koste van de leefbaarheid gaan. Juist gezinnen uit de middenklasse die in Den Haag blijven wonen en werken zijn het cement van de stad.

Gelukkig is er nu de LER. Dat kan een prima instrument zijn om te bevorderen dat bij grote ingrepen in de stad de bewoners, de gemeente en de initiatiefnemers tijdig in overleg gaan over de kwaliteit van de leefbaarheid en de publieke ruimte. Zo ontstaan er goede plannen en worden problemen gezamenlijk opgelost. Maar dan moet volgens ons de LER wel anders ingericht worden dan de wethouder nu voorstelt. Wij willen vier punten aan de orde stellen: Waar gaat het om? Wanneer is de LER? Wie doen er mee? En wie betaalt?

Waar gaat het om?
De gemeente wil alleen een marginale consultatie. Het mag, zo stelt zij, ‘niet te complex’ en alleen op grote lijnen. Maar zo krijg je geen leefbaarheid. Het gaat juist om wat leefbaarheid betekent voor de bewoners, en dat is meer dan een klein aantal algemene kwesties. Antea adviseert al om ook hittestress, wind en bezonning in de LER op te nemen. Die zijn immers essentieel voor een goed verblijfsklimaat. Wij willen daar aan toevoegen: de mogelijkheid voor contact met de straat, de kwaliteit van de openbare ruimte en het stadsgroen, en de beeldbepalende bestaande gebouwen. Voor bewoners kan dat betekenen: géén gesloten centrale ingangen en garages vanwaaruit iedereen direct naar zijn eigen flatje roetst. Maar straten waar je aangenaam verblijft en contact houdt met spelende kinderen en buurtbewoners. En niet alleen het aantal bomen op het aantal inwoners, maar de hoeveelheid vierkante meters kwaliteitsgroen met ruimte voor spelen en ontspanning. En of de wijkhistorie nog te zien is tussen al het nieuwe.

Ook over dit soort zaken, die voor de burger van groot belang zijn, zijn gegevens en overleg nodig.

Wanneer vindt de LER plaats?
De wethouder is hier variabel over. Het kan bij een gebiedsvisie. Maar ook bij een gebiedsagenda. Wij vrezen dat de LER zo een mini-onderdeel wordt in een complex en langduring proces tussen de initatiefnemers en de gemeente en haar diensten. Precies het tegenovergestelde van wat bedoeld wordt: duidelijkheid voor, en participatie met de bewoners in besluiten vanaf het allereerste begin.

O.i. moet een LER daarom altijd worden uitgevoerd bij de start van elk groot initiatief van gemeente of markt in een wijk. Alleen dan zijn de gevolgen in een vroeg planstadium bekend. En dan kan de gemeente nog voorwaarden stellen aan marktpartijen, of zoeken naar compensatie voor negatieve gevolgen. Ze voorkomt daarmee dat kwalijke konijnen uit hoge planhoeden komen, een euvel waarmee Den Haag helaas maar al te bekend is. En dat al dikwijls tot rechtszaken en vertragingen heeft geleid, die voorgang in de weg staan.

Wie doen er mee?
De gemeente noemt de bewonersorganisaties, de ondernemers, de marktpartijen en de gemeentelijke diensten. Wij vinden: De bewonersorganisaties moeten de belangrijkste rol spelen. De LER moet daarnaast profiteren van de deskundigheid uit belangengroepen als Rover, de Fietsersbond, de AVN en de Vrienden van Den Haag. Laat ook deze groepen meedoen in de LER-procedures.

Wie betaalt de LER?
De gemeente gaat uit van de omgevingswet. Die zegt: de initiatiefnemer betaalt. Maar wij vinden het geen goede zaak als de gemeente de LER aan de marktpartijen overlaat. Dat betekent immers dat de slagers hun eigen vlees gaan keuren.

Concluderend is het grootste risico van het huidige voorstel dat van een schijninspraak zonder wezenlijke invloed van de burgers op gemeente en marktpartijen. Dan wordt de LER niet het bedoelde instrument voor burgerparticipatie, maar een instrument voor Lekker Even Rustig houden, totdat de in de omgevingswet vastgelegde periode van inspraak voorbij is.

Het belangrijkste voor ons is dat elk groot plan door de LER vooraf getoetst wordt. En dan dat een conditio sine qua non wordt. M.a.w. als de uitkomsten van de LER negatief zijn, wordt er niet gebouwd. Eerst de voorzieningen op peil, dan pas de vergunning. Laten we leren van het PAS debacle. Als we de LER pas achteraf uitvoeren en er dan grote leefbaarheidsproblemen aan het licht treden, is de wijk intussen gebouwd, met de grote kans dat essentiële fouten niet meer goed te maken zijn.

Leefbaarheid en verdichting